
Somatotropinen (STH) uit de hypofyse remt glucose-afbraak, mobiliseert vetten uit vetweefsel, en stimuleert vetverbranding. Een trainingsadaptatie is een toegenomen STH-afgifte over langere tijd.
Thyroxine uit de schildklier bevordert zuurstofopname en stimuleert glycogeenafbraak in de spier en lever. Door training een toegenomen thyroxine productie.
Adrenaline uit bijniermerg verhoogt hartfrequentie en contractiekracht van de spieren. Stimuleert splitsing glycogeen en mobiliseert vetzuren uit vetweefsel.
Aldosteron uit de bijnierschors is betrokken bij de natrium- en kaliumhuishouding en speelt een rol bij het onderhouden van het bloedvolume. Bij vochtverlies tijdens inspanning wordt een grotere hoeveelheid aldosteron uitgescheiden.
Cortisol bevordert de nieuwvorming van glucose en glycogeen in de lever. Tijdens intensieve inspanning stijgen de cortisolspiegels. Een daling hiervan kan een teken zijn van overtraining.
Insuline uit de alvleesklier bevordert opname van glucose door de celwand. Door trainingsaanpassing is er minder insuline nodig om hetzelfde effect te krijgen.
Verlies van activiteit van bepaalde hormonen leidt tot vermoeidheid. De resynthese van de hormonen bepaald de duur van de herstelfase.
Er staan nog meer interessante topics in het boek die ik de komende tijd zal bloggen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten